Elektromagnetische invloeden op de matrix

 

Voordracht gehouden door Dr. Mark Bottu
Medizinische Woche Baden-Baden 2004
D.A.H. – Tagung - 2.11.2004
(Deutsche Medizinische Arbeitsgemeinschaft für Herd- und Regulationsforschung e.V)


Mijnheer de Voorzitter,
Dames en heren,


Er bestaat een verband tussen twee deelgebieden van de natuurgeneeskunde die mij steeds in het bijzonder hebben geïnteresseerd: de matrix en de elektromagnetische invloeden die de gezondheid van de mens kunnen bevorderen of ondermijnen. Ik wil dit vandaag toelichten

Wanneer ik bijna veertig jaar geleden mijn medische studies aanvatte was de theorie van Pisschinger over het grondsysteem reeds een kwarteeuw gepubliceerd. Toch vertelden onze docenten in de histologie doodleuk dat het bindweefsel een driedubbele functie had: bescherming van edele organen, ondersteuning van deze organen en verbinding tussen verschillende weefsels. Er werd voorbijgegaan aan het feit dat in dit ubiquitaire weefsel een aantal van de voornaamste reacties van ons organisme plaatsgrepen. Pisschinger zelf wees er reeds op dat geen enkele orgaancel rechtstreeks in verbinding staat met zenuwvezels of bloedvaten. Alle drie zijn ze ingebed in een grondsubstantie, die voor de onderlinge uitwisseling instaat. Pisschinger noemt dit systeem dan ook terecht het grondsysteem.

Reeds in zijn basiswerk ‘Das System der Grundregulation’ stelt hij: "Das Interstitium spielt (deshalb) bei den Basisvorgängen des Lebens eine entscheidende Rolle: Beim Wasser und Mineralhaushalt, bei der Temperaturregulation, beim Säure Basen Haushalt, bei der Atmung, Närung usw. Dabei habe dieses System in gewissem Sinn eine Autonomie. Nicht die zentrale Regulation des Vegetativums über das Zwischenhirn (Hypothalamus, Nebennierenrinden Systems) wie F. Hoff es gesehen hat, sei entscheidend. .... Die entscheidenden Regulationen finden in der Peripherie, im Grundsystem statt, nicht im Zentralen Nervensystem.“ Freilich hat auch dieses einen erheblichen Einfluß auf die vegetativen Grundfunktionen in dem Sinn, daß es die Regulationstätigkeit des Grundsystems moduliert. Man kann dem Grundsystem also keine absolute, sondern nur eine relative Autonomie zuerkennen; dem zentralen Nervensystem hingegen keine direkte, sondern nur eine indirekte Steuerungsmöglichkeit: Die Zentrale kann der Peripherie wohl einen Befehl geben. Ob der Befehl jedoch durchführbar ist, hängt vom Zustand der Peripherie ab." Daarom zal de Nederlandse school (Van Wijk, Lamers, Bottu) ook over het Basis-bio-regulatie-systeem spreken

Huneke – de grondlegger van de Neuraaltherapie – maar ook Kellner, Bergsmann, Draczinsky, Perger en vele anderen hebben er de nadruk opgelegd dat haarden en stoorvelden hier hun werking uitoefenden. Het is overigens via de neuraaltherapie dat ik tot de studie van het grondsysteem ben gekomen. In het begin van de 80-er jaren hebben Popp, Van Wijk, Lamers e.a. zich voornamelijk toegelegd op de fysische aspecten van het grondsysteem, inzonderheid op membraanpotentialen en mitochondriale ademhaling, terwijl ikzelf meer geïnteresseerd was in de chemische aspecten – en dan vooral in de rol van silicium.

Nadat Heine de fijnstructuur van de Matrix had ontrafeld , waarbij enerzijds de centrale rol van de fibroblasten werd beklemtoond en anderzijds het proteogycanenskelet werd blootgelegd heb ik in een studie “Silicium und seine Rolle im Grundsystem” de fundamentele rol van Silicium als stabilisator van het grondsysteem aangetoond. Deloof stelde vast dat de meerderheid der lichaamscellen niet sferisch zijn maar asymmetrisch Op elektrisch vlak vertonen zij niet enkel een membraanpotentiaal, maar ook een polariteit. Dit wijst op een ionengradiënt. Daardoor functioneren deze cellen als een elektroforesekamer, die de verschillende macromoleculen in hun specifieke configuratie behoudt.Dit is nodig voor de specifieke enzymactiviteit. Wanneer om één of andere reden deze potentiaalgradiënt wegvalt (stoorveld, elektromagnetische belasting) gaat de ionengradiënt, en daardoor de activiteit van een aantal enzymen wijzigingen ondergaan. Er treedt een opstapeling van stofwisselingsslakken op. Destijds hebben wij als hypothese vooropgesteld dat door de uitschakeling van het stoorveld (o.a. tgv. van een procaïne-injectie) de ionengradiënt zich tijdelijk kan herstellen. Hierdoor kan de electroforese terug plaatsgrijpen en zal – bij voldoende uitscheiding van de slakken – de tijdelijk verstoorde cel terug haar normale functies uitoefenen. De stabiliserende rol van silicium werd hierbij besproken. Deze rol werd overigens ook door Heine bevestigd.

Ondertussen was vanuit verschillende invalshoeken mijn aandacht gewekt voor de invloed van elektromagnetische invloeden op de gezondheid. Ik las boeken zoals ‘Les maisons qui tuent’ van R. De Laforrest en ‘Votre lit est-il à la bonne place?’ van Remi Alexandre en even later « Erdstrahlen als Krankheits-und Krebserreger’ van Gustav Freiherr von Pohl (1978) , een heruitgave van zijn boek uit 1932. Natuurartsen met naam zoals Ralf Turk en Dieter Asschoff beklemtoonden de rol van de slaapplaats bij chronische aandoeningen. Reeds in 1980 volgde ik de seminaries van Walter Kunnen. Het was deze bouwondernemer en immobiliënmakelaar reeds in de jaren zestig opgevallen dat steeds dezelfde huizen terug op de markt kwamen. Wanneer hij dit van naderbij bekeek, bleek dat in dezelfde bedden dikwijls meerdere personen aan dezelfde aandoeningen – vooral kanker – overleden. Maar ook mijn grote leermeester op het gebied van de oncologie, Dr.Jozef ISSELS benadrukte steeds ‘Die Bedeutung der Biosphäre für des Krebsgeschehen’ en wijdde er een heel hoofdstuk aan in zijn boek “Mehr Heilungen von Krebs”. Wanneer Otto Bergsmann het fenomeen van de geopatische invloeden op ziekteprocessen wetenschappelijk trachtte te onderzoeken en het bestaan ervan bevestigde in ‘Risikofaktor Standort’ (1984)., was ik totaal overtuigd van het belang hiervan.

Een groter probleem leek mij echter hoe deze invloeden konden uitgeschakeld worden..In de loop van de daaropvolgende jaren zagen zoveel verschillende theorieën het licht en werden nog meer ontstoringsmethoden- en toestellen gepropageerd, dat we de bomen niet meer doorheen het bos zagen. Wanneer daarnaast tengevolge van negatief gepoolde radars en de steeds toenemende GSM-zenders ook goedogende ontstoringen steeds weer verstoord werden, haakte ik definitief af.

In 1994 verscheen het eerste werk van dr. N. Driscart “Een boodschap van hoop”. Na een korte theoretische en praktische inleiding bespreekt hij een selectie uit de tot dan toe ongeveer 3000 patienten die hij met de methode van W. Kunnen heeft behandeld. Ondertussen publiceerde hij een tweede boek “Dokter met Lecherantenne. Magnetisme sleutel tot het leven. “ Hier wordt een selectie weergegeven uit meer dan 7000 patiënten, die hij in de voorbije twintig jaar behandelde. Ik ben er mij van bewust dat in de klassieke geneeskundige wetenschap weinig belang wordt gehecht aan getuigenissen. Zevenduizend dossiers kan men echter niet naast zich neerleggen. Zij schreeuwen om een verder onderzoek.


Dat elektromagnetisme een belangrijke rol speelt in het menselijk organisme, wordt ook door de klassieke geneeskunde bevestigd: elektromagnetische resonantie en SQUIDS behoren tot de dagdagelijkse onderzoekstechnieken.

Wanneer we nu willen begrijpen hoe deze kosmische en tellurische stralingen op het menselijk organisme inwerken moeten we ervan uitgaan dat de mens in eerste instantie een antenne is die ontvangt en uitzendt, maar vooral resorbeert en accumuleert. Er is enerzijds de algemene accumulatie van zonne-energie. De mens kan enige dagen tot weken overleven zonder drank en voedsel, enige minuten zonder zuurstof, maar niet zonder energie. Essentieel voor het leven is niet de chemische structuur van een organisme; er is chemisch geen verschil tussen het menselijk lichaam onmiddellijk voor en onmiddellijk na het intreden van de dood. Het fundamentele verschil is energetisch: er is niet langer een energieflux doorheen het lichaam na het intreden van de dood. We kunnen dit als een energetische grondtonus beschouwen. De kosmische en tellurische stralen waaraan het lichaam onderworpen is gaan hier een modulatie op uitoefenen Wanneer het om korstondige invloeden gaat is het grondsysteem, als auteur van de basisregulatie in staat deze invloeden te compenseren.

Wanneer het om langdurige en repetitieve invloeden gaat schiet de basale regulatie te kort. Er ontstaat een voortdurende belasting, waardoor ook de cellulaire componenten, de zenuwen en de bloedvaten die in het grondsysteem uitmonden, verstoord geraken. Dit gebeurt voornamelijk tijdens de nacht op de slaapplaats omdat hier een aantal factoren gaan samenwerken :
- tijdens de nacht is er geen compensatie van de schadelijke elektromagnetische stralen door de zonnestraling (x5)
- de blootgestelde oppervlakte van het lichaam is 8 x groter in liggende houding dan in zittende, 12 x dan in staande
- tijdens de slaap is de elektromagnetische spanning van de huid (Faradeische protectie) veel lager (tot 2/3)
- men blijft gedurende 5 à 6 uur in een dominante ongewijzigde positie
Hierdoor mag men aannemen dat de invloed van de straling tot 400 maal groter is.


Deze hypothese wordt onderbouwd door een aantal belangrijke ontdekkingen van Walter KUNNEN. Laten we echter eerst even stilstaan bij het meetinstrument waardoor deze ontdekkingen werden mogelijk gemaakt : de Lecher-antenne. Deze antenne werd ontworpen door Ing R. Schneider. Teneinde de radiestetische waarnemingen die door wichelroedelopers bij middel van een wichelroede werden gedaan te kwantificeren, maakte hij gebruik van de zgn. Lecherleitung. Deze werd ook door Marconi gebruikt voor het afstemmen op radiogolven. Door het kortsluiten van de U-vormige koperen leiding kan afgestemd worden op een gamma van biologische golflengten, meestal als greeplengte weergegeven. De opwerping dat dit een subjectief meetinstrument is kan weerlegd worden door het feit dat de voldoende opgeleide geobioloog hiermee volledig reproduceerbare metingen kan uitvoeren. Tevens kan men hiermee bv. in een verduisterde ruimte exact het noorden (en dus de andere windrichtingen bepalen).

Reeds lang is bekend dat men met deze Lecher-antenne een nauwkeurig onderzoek van de woonplaats, inzonderheid de slaapplaats kan doen. Hierbij worden de verschillende elektromagnetische vectoren opgespoord. Deze vectoren kunnen gemoduleerd worden door middel van resorbatoren, ampullen gevuld met een Viscum Album extract. Het zou ons binnen het kader van deze algemene voordracht over “Elektromagnetische invloeden op de Matrix” te ver voeren in te gaan op de fysische aspecten van deze elektromagnetische vectoren. Wel willen wij beklemtonen dat deze vectoren dienen beschouwd te worden als dragers van biologische energieën, die spiraalvormig verlopen en rechts (+) of links (-) kunnen gepoold zijn. De bedoeling van de ontstoring – beter optimalisering – dient er op gericht te zijn een evenwicht tussen positieve en negatieve energieën te bewerkstelligen.


Zoals hoger vermeld is het menselijk lichaam tijdens de slaap blootgesteld aan een aantal van deze elektromagnetische vectoren. In dit verband heeft Walter Kunnen een aantal belangrijke ontdekkingen gedaan.
1. Door een scanning van het lichaam door middel van de lecherantenne is het mogelijk het hologram weer te geven dat de omgeving tijdens de slaap op dit lichaam realiseert. De lectuur van dit hologram laat enerzijds toe met precisie de oriëntatie van het lichaam ten overstaan van de windrichtingen te bepalen, de plaatsing van het bed in de kamer en de slaaphouding maar het laat tevens toe de sporen die de grote geodynamische netten (orthogonaal en diagonaal), de breuklijnen (al dan niet gepaard met water), wateraders, radars- en GSM-stralingen en elektrische vectoren te bepalen.
2. Een verder analyse van dit hologram leert ons dat het lichaam niet enkel een twee dimensioneel beeld maakt maar een driedimensioneel. Hierbij functioneert het lichaam als een camera of een oog, dat een beeld registreert van alle invloeden in een gebied van 300 op 300 m rondom de slaapplaats. Overigens registreert niet alleen de romp, maar ook bv. het hoofd en de benen dit beeld.
3. Reeds vroeger werd aangetoond dat elk biologisch weefsel een welbepaalde golflengte heeft. Wanneer we nu de L.A. instellen op een bepaalde golflengte en op de stoorsporen van het hologram meten, kunnen we hieruit besluiten welke negatieve energieën deze dragen en welke organen zij bij voorkeur zullen belasten.
4. Controlemetingen op het hologram van de patiënt na de ontstoring-optimalisering van de slaapplaats laten aan de verwijzende arts toe om na te gaan of de schadelijke vectoren en vooral de nadelige biologische energieën die ze dragen uitgeschakeld zijn. Alzo kan het werk van de geobioloog gecontroleerd worden.
5. Ook de middellijn van de slaapkamer vormt een dragende vector (reflectie van de beide muren). Deze wordt eveneens teruggevonden op het hologram, waar hij op de greeplengte 7,4 kan gemeten worden. Hij is drager van alle biologische pathologische energieën die in de kamer aanwezig zijn. Als zodanig laat hij aan de verwijzende arts toe op een eenvoudige manier te verifiëren of de ontstoring/optimalisatie van de kamer goed gebeurd is: er mogen op deze drager geen pathologische energieën worden teruggevonden.
6. Recent heeft W. Kunnen aangetoond dat wisselende elektromagnetische factoren, zoals deze afkomstig van GSM-masten niet individueel dienen ontstoord te wordend. Door een optimalisering van de West-lijn gaan hun schadelijke invloeden automatisch gecompenseerd worden.
7. Het ontdubbelen van de resorbatoren die de watervoerende vectoren compenseren, laat een permanente ontstoring toe bij wisselende waterstanden

De adequate toepassing van deze verschillende ontdekkingen heeft mij ervan overtuigd dat een afdoende en langdurige optimalisatie van de slaapplaats mogelijk is.

Keren we terug tot de patiënt en zijn grondsysteem. Tengevolge van de negatieve exogene invloeden zal het basisbioregulatiesysteem telkens opnieuw belast worden. Op de kruispunten van schadelijke vectoren ontstaan zones van cellen met omgekeerde polariteit. Andere punten op het lichaam kunnen een ‘locus minoris resitentiae’ vormen onder invloed van exogene of endogen factoren. Ook zij gaan onder invloed van het exogene magnetisch veld zones met omgekeerde celpolariteit vormen. Deze zones kunnen bij middel van de Lecherantenne opgespoord worden. Magnetisch gesproken vormen zij een noordpool. Men kan de celpolariteit herstellen door ter hoogte van het gevonden punt de zuidpool van een kleine magneet aan te brengen (+/- 1300 Gauss). De juiste lokalisatie van de magneet wordt bevestigd door het feit dat ze aangetrokken wordt door de noordpool in het organisme en zelfs tegen de zwaartekracht in blijft hangen. Hierdoor kan niet alleen pijn zeer snel weggenomen worden, maar kan ook de energievoorziening van onderliggende organen duidelijk gestimuleerd worden.

Daarnaast laat de Lecher-antenne toe de toestand van het bindweefsel, van de immuniteit, van de stofwisseling en van de verschillende orgaansystemen te bepalen. Wanneer de beide handen op de respectievelijke knieën gelegd worden, zodat de handpalm voor de patella komt te liggen, vinden we op de handrug een punt, waarop we de verschillende orgaanfrequenties kunnen meten. Vooral een verstoring van het bindweefsel (immuniteit, LA 3.75) en van de stofwisseling (degeneratie, LA 4.3) wijzen op het risico voor ernstige chronische aandoeningen tot en met kanker. Meting van de orgaanwaarden geeft ons informatie over de ligging van de aandoening.

Bovendien laat de Lecher-antenne een gedetailleerde geneesmiddelentest en een test voor voedingsallergie toe. Afwijkende meetwaarden worden geoptimaliseerd door het inbrengen van geneesmiddelen (homeopathie, fytotherapie, nosoden, orthomoleculaire middelen, maar desgevallend ook allopatische geneesmiddelen) in de meetkring. Hierbij wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van de Wabe van Rossaint, omdat hierbij een zuiver energetische flux wordt gemeten zonder interferentie van metaalinvloeden van de wafel, de geleidingskabel of de handelektrode. Bepaalde voedingsmiddelen die een negatieve (allergische) invloed uitoefenen op het organisme gaan een verslechtering van de meetwaarden vertonen.

Tot slot willen wij nog even ingaan op het belang van het onderzoek met de L.A. voor het haard- en stoorveldonderzoek, inzonderheid in de neuraaltherapie. Reeds vroeger toonde W. Kunnen ons dat het mogelijk is met de L.A. tandhaarden op te sporen en ook hun behandeling te evalueren. In de neuraalthrapie – waar men er klassiek van uitgaat dat alle stoorvelden (littekens) in een zitting dienen uitgeschakeld te worden, zoekt men sinds jaren naar methodes om de actieve stoorvelden op te sporen. Talrijke methodes zijn de revue gepasseerd: thermografie, segmentelektrografie en decodermeting, het vasculair autonoom signaal volgens Nogier, kinesiologie ... Wij leggen ons sinds enkele jaren toe op het opmeten van littekens en bv. ook tonsillen en sinussen met de L.A. Wij stelden vast dat littekens een sterke reactie konden vertonen op GL 4.15, waarbij meestal slechts één of twee punten van het litteken een duidelijke reactie vertoonden. Het neuraaltherapeutisch behandelen van de maximale reactiezones volstond veelal om het gewenste secundefenomeen te verkrijgen. Controle van de gestoorde zones op afstand levert dan een optimalisering binnen het tijdsbestek van enkele seconden. Eveneens kan men de activiteit van tonsillen nameten. Wanneer zij een stoorveld vormen vertonen zij meestal een sterke reactie op GL 4.15 en GL 3.7 (lymfe).

Wij zijn er ons van bewust dat een groot gedeelte van wat wij in dit kort bestek besproken hebben teruggaat op de ervaring van een beperkte groep mensen. Het dient dan ook zeker verder wetenschappelijk onderzocht en onderbouwd te worden. Toch mogen we de ervaring van een aantal personen (Kunnen, Driscart, ...) die zich over meerdere duizenden casussen uitstrekt niet zomaar naast ons neerleggen. We zullen ze kritisch moeten evalueren, trachten bepaalde elementen wetenschappelijk verder te onderbouwen en ze vooral in het belang van onze patiënten dienen aan te wenden.

Daarom wil ik besluiten met één gevalsbespreking.

Mevrouw VB,M., geb.20.09.51 laat in 1997 haar woning ontstoren, waar op dat ogenblik geen kankerdragende breuklijn (4.3) wordt ontdekt. In mei 1999 voelt ze pijn in de borst. Echografie vertoont een verstoring maar er is geen duidelijk beeld op de mammografie.. Op 21/03/2000 wordt een tumorectomie uitgevoerd wegens een klinisch palpabele nodulus ter hoogte van het onderste buitenste kwadrant van de linker borst. Gezien het om een invasief matig gedifferentieerd intraductaal carcinoom ging en de snijranden niet tumorvrij waren wordt een mammectomie met okselcurettage en simultane reconstructie uitgevoerd op 19/04/2004. Als adjuvante behandeling werd Tamoxifen voorgeschreven. Er werd geen radio- of chemotherapie doorgevoerd. Het postoperatief verloop was probleemloos. Echografie van het abdomen geeft een iso-echogene nodule omgeven door een hypo-echogene rand (? : 9mm), die als een hemangioom wordt geïnterpreteerd.

In november 2001 gebeurt een botscan en een long onderzoek, die beide negatief zijn. Een nieuwe echografie van het abdomen wordt geweigerd. Een volledig check-up in januari 2001 is negatief.. Progressief treedt echter een stijging van de CA 15.3 op.

Op 25/9/2002 wordt een hysteromia radicalis totalis gedaan wegens expulsie van een spiraal en baarmoederbloedingen op een myomateuze baarmoeder. Hier werden geen maligne afwijkingen gevonden. Bij inspectie van de lever is thv de onderrand een metastase zichtbaar (?: 1 cm). Bij verdere palpatie vind men ook in de linkerkwab een paar noduli en in de rechter leverzone een conglomeraat van verschillende nodulaire formaties. Histopathologisch onderzoek van een biopsie liet besluiten tot metastase van het borstcarcinoom. Arimedex (aromataseremmer) wordt voorgesteld, maar geweigerd. Novaldex wordt verder genomen. Forteyam ( natuurlijke progesteron/oestrogeen balans regulator) wordt bijgegeven.

Eind augustus 2002 wordt begonnen met een intensieve ozonkuur en op 14/10/2002 wordt de ontstoring van de woning gecontroleerd. Hierbij worden 2 (van de 3) Zuid-West-lijnen en 2 breuk-waterlijnen – waarvan één kankerdragend - gevonden en ontstoord en wordt de Westlijn gemanipuleerd teneinde de kunstmatige elektromagnetische vectoren (GSM) te neutraliseren.

Patiënte voelt zich aanvankelijk goed herstellen, maar de CA 15.3 blijft progressief toenemen. Ook het ‘Hypo-ionic-protein-profil’ wordt minder goed. In de zomer 2003 treedt er een dramatische achteruitgang op. Patiënte moet voortdurende braken. Glucosebaxters worden toegediend, zonder resultaat. Patiënte wil nog wachten met toedienen van corticoieden.. Ze wordt progressief cachectisch (van 65 naar 40 kg voor 1.78 m). De lever is enorm vergroot (4cm onder ribbenboog).

Eind juli 2003 bezoek ik patiënte thuis en zeg bij het vertrek tegen de echtgenoot dat ik afscheid genomen heb. Ik vermoed niet dat patiënte na mijn verlof nog in leven zal zijn. De echtgenoot – die zelf de seminaries van Archibo-Biologica (W. Kunnen) gevolgd heeft, wil zich hier niet bij neerleggen. De woning is terug in orde gebracht , waarbij de Westlijn wordt gemanipuleerd. Na drie weken is deze terug slecht en wordt opnieuw gecorrigeerd. Echtgenoot meet dagelijks op patiënte. Hij vindt een belasting tgv. van parasieten. Na het toedienen van een antiparasitair middel (Parafactors – Country Life) en ontgiften van de lever o.a. met groene klei (Argilets), een aangepast dieet en verschillende voedingssuplementen, en voortdurende controle van de geopatische vectoren die wisselen tgv. het moerassige gebied waarop de woning staat treedt vanaf oktober 2003 een lichte verbetering op. Patiënte begint terug te eten. De tumormarkers (CA 15.3) – die een maximum van 1382 hadden bereikt beginnen progressief terug te dalen. Patiënte neemt toe in gewicht (nu 60 kg).

Tijdens het schrijven van dit artikel trad bij patiënte terug een verhoging van de leverwaarden en van de CA 15.3 op. Opnieuw is er een verstoring van de geopatische invloeden opgetreden : Er is een Zuid-West-lijn doorgekomen die in zeer sterke mate 3.7 (lymfe), 4.3 (kanker) en 3.35 (gynaecologie) draagt. Een verslechtering van de primair gynaecologische tumor dient ons dus nbiet te verwonderen. .

Toch heb ik er aangehouden deze casus te brengen, alhoewel we er tientallen andere hadden kunnen voorstellen waar de ontstoring over lange perioden goed bleef. Deze casus heeft echter enkele voordelen:
1. Hij illustreert dat het in orde brengen van de exogene geopatische invloeden – ook bij klaarblijkelijk praeterminale toestanden tot een omkering van het ziekte verloop kan leiden.
2. Dat de ontstoring/optimalisering van de woning steeds dient te gebeuren binnen het kader van een totaalbehandeling van de patiënt
3. Dat zij niet als een verworven en blijvende toestand mag beschouwd worden, maar steeds opnieuw dient gecontroleerd worden.
4. Dat het wenselijk is dat de behandelende arts zelf een elementaire kennis en kunde heeft van geopathie, zodat hij de ontstoring/optimalisering kan nameten op de stoorsporen en zonodig de geobioloog kan vragen ter plaatse een controle te doen.