Voordracht gehouden door Dr. Mark Bottu
Medizinische Woche Baden-Baden 2004
D.A.H. – Tagung - 2.11.2004
(Deutsche Medizinische Arbeitsgemeinschaft für Herd- und
Regulationsforschung e.V)
Mijnheer de Voorzitter,
Dames en heren,
Er bestaat een verband tussen twee deelgebieden van de natuurgeneeskunde
die mij steeds in het bijzonder hebben geïnteresseerd: de
matrix en de elektromagnetische invloeden die de gezondheid van
de mens kunnen bevorderen of ondermijnen. Ik wil dit vandaag toelichten
Wanneer ik bijna veertig jaar geleden mijn medische
studies aanvatte was de theorie van Pisschinger over het grondsysteem
reeds een kwarteeuw gepubliceerd. Toch vertelden onze docenten
in de histologie doodleuk dat het bindweefsel een driedubbele
functie had: bescherming van edele organen, ondersteuning van
deze organen en verbinding tussen verschillende weefsels. Er werd
voorbijgegaan aan het feit dat in dit ubiquitaire weefsel een
aantal van de voornaamste reacties van ons organisme plaatsgrepen.
Pisschinger zelf wees er reeds op dat geen enkele orgaancel rechtstreeks
in verbinding staat met zenuwvezels of bloedvaten. Alle drie zijn
ze ingebed in een grondsubstantie, die voor de onderlinge uitwisseling
instaat. Pisschinger noemt dit systeem dan ook terecht het grondsysteem.
Reeds in zijn basiswerk ‘Das System der
Grundregulation’ stelt hij: "Das Interstitium spielt
(deshalb) bei den Basisvorgängen des Lebens eine entscheidende
Rolle: Beim Wasser und Mineralhaushalt, bei der Temperaturregulation,
beim Säure Basen Haushalt, bei der Atmung, Närung usw.
Dabei habe dieses System in gewissem Sinn eine Autonomie. Nicht
die zentrale Regulation des Vegetativums über das Zwischenhirn
(Hypothalamus, Nebennierenrinden Systems) wie F. Hoff es gesehen
hat, sei entscheidend. .... Die entscheidenden Regulationen finden
in der Peripherie, im Grundsystem statt, nicht im Zentralen Nervensystem.“
Freilich hat auch dieses einen erheblichen Einfluß auf die
vegetativen Grundfunktionen in dem Sinn, daß es die Regulationstätigkeit
des Grundsystems moduliert. Man kann dem Grundsystem also keine
absolute, sondern nur eine relative Autonomie zuerkennen; dem
zentralen Nervensystem hingegen keine direkte, sondern nur eine
indirekte Steuerungsmöglichkeit: Die Zentrale kann der Peripherie
wohl einen Befehl geben. Ob der Befehl jedoch durchführbar
ist, hängt vom Zustand der Peripherie ab." Daarom zal
de Nederlandse school (Van Wijk, Lamers, Bottu) ook over het Basis-bio-regulatie-systeem
spreken
Huneke – de grondlegger van de Neuraaltherapie
– maar ook Kellner, Bergsmann, Draczinsky, Perger en vele
anderen hebben er de nadruk opgelegd dat haarden en stoorvelden
hier hun werking uitoefenden. Het is overigens via de neuraaltherapie
dat ik tot de studie van het grondsysteem ben gekomen. In het
begin van de 80-er jaren hebben Popp, Van Wijk, Lamers e.a. zich
voornamelijk toegelegd op de fysische aspecten van het grondsysteem,
inzonderheid op membraanpotentialen en mitochondriale ademhaling,
terwijl ikzelf meer geïnteresseerd was in de chemische aspecten
– en dan vooral in de rol van silicium.
Nadat Heine de fijnstructuur van de Matrix had
ontrafeld , waarbij enerzijds de centrale rol van de fibroblasten
werd beklemtoond en anderzijds het proteogycanenskelet werd blootgelegd
heb ik in een studie “Silicium und seine Rolle im Grundsystem”
de fundamentele rol van Silicium als stabilisator van het grondsysteem
aangetoond. Deloof stelde vast dat de meerderheid der lichaamscellen
niet sferisch zijn maar asymmetrisch Op elektrisch vlak vertonen
zij niet enkel een membraanpotentiaal, maar ook een polariteit.
Dit wijst op een ionengradiënt. Daardoor functioneren deze
cellen als een elektroforesekamer, die de verschillende macromoleculen
in hun specifieke configuratie behoudt.Dit is nodig voor de specifieke
enzymactiviteit. Wanneer om één of andere reden
deze potentiaalgradiënt wegvalt (stoorveld, elektromagnetische
belasting) gaat de ionengradiënt, en daardoor de activiteit
van een aantal enzymen wijzigingen ondergaan. Er treedt een opstapeling
van stofwisselingsslakken op. Destijds hebben wij als hypothese
vooropgesteld dat door de uitschakeling van het stoorveld (o.a.
tgv. van een procaïne-injectie) de ionengradiënt zich
tijdelijk kan herstellen. Hierdoor kan de electroforese terug
plaatsgrijpen en zal – bij voldoende uitscheiding van de
slakken – de tijdelijk verstoorde cel terug haar normale
functies uitoefenen. De stabiliserende rol van silicium werd hierbij
besproken. Deze rol werd overigens ook door Heine bevestigd.
Ondertussen was vanuit verschillende invalshoeken
mijn aandacht gewekt voor de invloed van elektromagnetische invloeden
op de gezondheid. Ik las boeken zoals ‘Les maisons qui tuent’
van R. De Laforrest en ‘Votre lit est-il à la bonne
place?’ van Remi Alexandre en even later « Erdstrahlen
als Krankheits-und Krebserreger’ van Gustav Freiherr von
Pohl (1978) , een heruitgave van zijn boek uit 1932. Natuurartsen
met naam zoals Ralf Turk en Dieter Asschoff beklemtoonden de rol
van de slaapplaats bij chronische aandoeningen. Reeds in 1980
volgde ik de seminaries van Walter Kunnen. Het was deze bouwondernemer
en immobiliënmakelaar reeds in de jaren zestig opgevallen
dat steeds dezelfde huizen terug op de markt kwamen. Wanneer hij
dit van naderbij bekeek, bleek dat in dezelfde bedden dikwijls
meerdere personen aan dezelfde aandoeningen – vooral kanker
– overleden. Maar ook mijn grote leermeester op het gebied
van de oncologie, Dr.Jozef ISSELS benadrukte steeds ‘Die
Bedeutung der Biosphäre für des Krebsgeschehen’
en wijdde er een heel hoofdstuk aan in zijn boek “Mehr Heilungen
von Krebs”. Wanneer Otto Bergsmann het fenomeen van de geopatische
invloeden op ziekteprocessen wetenschappelijk trachtte te onderzoeken
en het bestaan ervan bevestigde in ‘Risikofaktor Standort’
(1984)., was ik totaal overtuigd van het belang hiervan.
Een groter probleem leek mij echter hoe deze
invloeden konden uitgeschakeld worden..In de loop van de daaropvolgende
jaren zagen zoveel verschillende theorieën het licht en werden
nog meer ontstoringsmethoden- en toestellen gepropageerd, dat
we de bomen niet meer doorheen het bos zagen. Wanneer daarnaast
tengevolge van negatief gepoolde radars en de steeds toenemende
GSM-zenders ook goedogende ontstoringen steeds weer verstoord
werden, haakte ik definitief af.
In 1994 verscheen het eerste werk van dr. N.
Driscart “Een boodschap van hoop”. Na een korte theoretische
en praktische inleiding bespreekt hij een selectie uit de tot
dan toe ongeveer 3000 patienten die hij met de methode van W.
Kunnen heeft behandeld. Ondertussen publiceerde hij een tweede
boek “Dokter met Lecherantenne. Magnetisme sleutel tot het
leven. “ Hier wordt een selectie weergegeven uit meer dan
7000 patiënten, die hij in de voorbije twintig jaar behandelde.
Ik ben er mij van bewust dat in de klassieke geneeskundige wetenschap
weinig belang wordt gehecht aan getuigenissen. Zevenduizend dossiers
kan men echter niet naast zich neerleggen. Zij schreeuwen om een
verder onderzoek.
Dat elektromagnetisme een belangrijke rol speelt in het menselijk
organisme, wordt ook door de klassieke geneeskunde bevestigd:
elektromagnetische resonantie en SQUIDS behoren tot de dagdagelijkse
onderzoekstechnieken.
Wanneer we nu willen begrijpen hoe deze kosmische
en tellurische stralingen op het menselijk organisme inwerken
moeten we ervan uitgaan dat de mens in eerste instantie een antenne
is die ontvangt en uitzendt, maar vooral resorbeert en accumuleert.
Er is enerzijds de algemene accumulatie van zonne-energie. De
mens kan enige dagen tot weken overleven zonder drank en voedsel,
enige minuten zonder zuurstof, maar niet zonder energie. Essentieel
voor het leven is niet de chemische structuur van een organisme;
er is chemisch geen verschil tussen het menselijk lichaam onmiddellijk
voor en onmiddellijk na het intreden van de dood. Het fundamentele
verschil is energetisch: er is niet langer een energieflux doorheen
het lichaam na het intreden van de dood. We kunnen dit als een
energetische grondtonus beschouwen. De kosmische en tellurische
stralen waaraan het lichaam onderworpen is gaan hier een modulatie
op uitoefenen Wanneer het om korstondige invloeden gaat is het
grondsysteem, als auteur van de basisregulatie in staat deze invloeden
te compenseren.
Wanneer het om langdurige en repetitieve invloeden
gaat schiet de basale regulatie te kort. Er ontstaat een voortdurende
belasting, waardoor ook de cellulaire componenten, de zenuwen
en de bloedvaten die in het grondsysteem uitmonden, verstoord
geraken. Dit gebeurt voornamelijk tijdens de nacht op de slaapplaats
omdat hier een aantal factoren gaan samenwerken :
- tijdens de nacht is er geen compensatie van de schadelijke elektromagnetische
stralen door de zonnestraling (x5)
- de blootgestelde oppervlakte van het lichaam is 8 x groter in
liggende houding dan in zittende, 12 x dan in staande
- tijdens de slaap is de elektromagnetische spanning van de huid
(Faradeische protectie) veel lager (tot 2/3)
- men blijft gedurende 5 à 6 uur in een dominante ongewijzigde
positie
Hierdoor mag men aannemen dat de invloed van de straling tot 400
maal groter is.
Deze hypothese wordt onderbouwd door een aantal belangrijke ontdekkingen
van Walter KUNNEN. Laten we echter eerst even stilstaan bij het
meetinstrument waardoor deze ontdekkingen werden mogelijk gemaakt
: de Lecher-antenne. Deze antenne werd ontworpen door Ing R. Schneider.
Teneinde de radiestetische waarnemingen die door wichelroedelopers
bij middel van een wichelroede werden gedaan te kwantificeren,
maakte hij gebruik van de zgn. Lecherleitung. Deze werd ook door
Marconi gebruikt voor het afstemmen op radiogolven. Door het kortsluiten
van de U-vormige koperen leiding kan afgestemd worden op een gamma
van biologische golflengten, meestal als greeplengte weergegeven.
De opwerping dat dit een subjectief meetinstrument is kan weerlegd
worden door het feit dat de voldoende opgeleide geobioloog hiermee
volledig reproduceerbare metingen kan uitvoeren. Tevens kan men
hiermee bv. in een verduisterde ruimte exact het noorden (en dus
de andere windrichtingen bepalen).
Reeds lang is bekend dat men met deze Lecher-antenne
een nauwkeurig onderzoek van de woonplaats, inzonderheid de slaapplaats
kan doen. Hierbij worden de verschillende elektromagnetische vectoren
opgespoord. Deze vectoren kunnen gemoduleerd worden door middel
van resorbatoren, ampullen gevuld met een Viscum Album extract.
Het zou ons binnen het kader van deze algemene voordracht over
“Elektromagnetische invloeden op de Matrix” te ver
voeren in te gaan op de fysische aspecten van deze elektromagnetische
vectoren. Wel willen wij beklemtonen dat deze vectoren dienen
beschouwd te worden als dragers van biologische energieën,
die spiraalvormig verlopen en rechts (+) of links (-) kunnen gepoold
zijn. De bedoeling van de ontstoring – beter optimalisering
– dient er op gericht te zijn een evenwicht tussen positieve
en negatieve energieën te bewerkstelligen.
Zoals hoger vermeld is het menselijk lichaam tijdens de slaap
blootgesteld aan een aantal van deze elektromagnetische vectoren.
In dit verband heeft Walter Kunnen een aantal belangrijke ontdekkingen
gedaan.
1. Door een scanning van het lichaam door middel van de lecherantenne
is het mogelijk het hologram weer te geven dat de omgeving tijdens
de slaap op dit lichaam realiseert. De lectuur van dit hologram
laat enerzijds toe met precisie de oriëntatie van het lichaam
ten overstaan van de windrichtingen te bepalen, de plaatsing van
het bed in de kamer en de slaaphouding maar het laat tevens toe
de sporen die de grote geodynamische netten (orthogonaal en diagonaal),
de breuklijnen (al dan niet gepaard met water), wateraders, radars-
en GSM-stralingen en elektrische vectoren te bepalen.
2. Een verder analyse van dit hologram leert ons dat het lichaam
niet enkel een twee dimensioneel beeld maakt maar een driedimensioneel.
Hierbij functioneert het lichaam als een camera of een oog, dat
een beeld registreert van alle invloeden in een gebied van 300
op 300 m rondom de slaapplaats. Overigens registreert niet alleen
de romp, maar ook bv. het hoofd en de benen dit beeld.
3. Reeds vroeger werd aangetoond dat elk biologisch weefsel een
welbepaalde golflengte heeft. Wanneer we nu de L.A. instellen
op een bepaalde golflengte en op de stoorsporen van het hologram
meten, kunnen we hieruit besluiten welke negatieve energieën
deze dragen en welke organen zij bij voorkeur zullen belasten.
4. Controlemetingen op het hologram van de patiënt na de
ontstoring-optimalisering van de slaapplaats laten aan de verwijzende
arts toe om na te gaan of de schadelijke vectoren en vooral de
nadelige biologische energieën die ze dragen uitgeschakeld
zijn. Alzo kan het werk van de geobioloog gecontroleerd worden.
5. Ook de middellijn van de slaapkamer vormt een dragende vector
(reflectie van de beide muren). Deze wordt eveneens teruggevonden
op het hologram, waar hij op de greeplengte 7,4 kan gemeten worden.
Hij is drager van alle biologische pathologische energieën
die in de kamer aanwezig zijn. Als zodanig laat hij aan de verwijzende
arts toe op een eenvoudige manier te verifiëren of de ontstoring/optimalisatie
van de kamer goed gebeurd is: er mogen op deze drager geen pathologische
energieën worden teruggevonden.
6. Recent heeft W. Kunnen aangetoond dat wisselende elektromagnetische
factoren, zoals deze afkomstig van GSM-masten niet individueel
dienen ontstoord te wordend. Door een optimalisering van de West-lijn
gaan hun schadelijke invloeden automatisch gecompenseerd worden.
7. Het ontdubbelen van de resorbatoren die de watervoerende vectoren
compenseren, laat een permanente ontstoring toe bij wisselende
waterstanden
De adequate toepassing van deze verschillende
ontdekkingen heeft mij ervan overtuigd dat een afdoende en langdurige
optimalisatie van de slaapplaats mogelijk is.
Keren we terug tot de patiënt en zijn grondsysteem.
Tengevolge van de negatieve exogene invloeden zal het basisbioregulatiesysteem
telkens opnieuw belast worden. Op de kruispunten van schadelijke
vectoren ontstaan zones van cellen met omgekeerde polariteit.
Andere punten op het lichaam kunnen een ‘locus minoris resitentiae’
vormen onder invloed van exogene of endogen factoren. Ook zij
gaan onder invloed van het exogene magnetisch veld zones met omgekeerde
celpolariteit vormen. Deze zones kunnen bij middel van de Lecherantenne
opgespoord worden. Magnetisch gesproken vormen zij een noordpool.
Men kan de celpolariteit herstellen door ter hoogte van het gevonden
punt de zuidpool van een kleine magneet aan te brengen (+/- 1300
Gauss). De juiste lokalisatie van de magneet wordt bevestigd door
het feit dat ze aangetrokken wordt door de noordpool in het organisme
en zelfs tegen de zwaartekracht in blijft hangen. Hierdoor kan
niet alleen pijn zeer snel weggenomen worden, maar kan ook de
energievoorziening van onderliggende organen duidelijk gestimuleerd
worden.
Daarnaast laat de Lecher-antenne toe de toestand
van het bindweefsel, van de immuniteit, van de stofwisseling en
van de verschillende orgaansystemen te bepalen. Wanneer de beide
handen op de respectievelijke knieën gelegd worden, zodat
de handpalm voor de patella komt te liggen, vinden we op de handrug
een punt, waarop we de verschillende orgaanfrequenties kunnen
meten. Vooral een verstoring van het bindweefsel (immuniteit,
LA 3.75) en van de stofwisseling (degeneratie, LA 4.3) wijzen
op het risico voor ernstige chronische aandoeningen tot en met
kanker. Meting van de orgaanwaarden geeft ons informatie over
de ligging van de aandoening.
Bovendien laat de Lecher-antenne een gedetailleerde
geneesmiddelentest en een test voor voedingsallergie toe. Afwijkende
meetwaarden worden geoptimaliseerd door het inbrengen van geneesmiddelen
(homeopathie, fytotherapie, nosoden, orthomoleculaire middelen,
maar desgevallend ook allopatische geneesmiddelen) in de meetkring.
Hierbij wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van de Wabe van Rossaint,
omdat hierbij een zuiver energetische flux wordt gemeten zonder
interferentie van metaalinvloeden van de wafel, de geleidingskabel
of de handelektrode. Bepaalde voedingsmiddelen die een negatieve
(allergische) invloed uitoefenen op het organisme gaan een verslechtering
van de meetwaarden vertonen.
Tot slot willen wij nog even ingaan op het belang
van het onderzoek met de L.A. voor het haard- en stoorveldonderzoek,
inzonderheid in de neuraaltherapie. Reeds vroeger toonde W. Kunnen
ons dat het mogelijk is met de L.A. tandhaarden op te sporen en
ook hun behandeling te evalueren. In de neuraalthrapie –
waar men er klassiek van uitgaat dat alle stoorvelden (littekens)
in een zitting dienen uitgeschakeld te worden, zoekt men sinds
jaren naar methodes om de actieve stoorvelden op te sporen. Talrijke
methodes zijn de revue gepasseerd: thermografie, segmentelektrografie
en decodermeting, het vasculair autonoom signaal volgens Nogier,
kinesiologie ... Wij leggen ons sinds enkele jaren toe op het
opmeten van littekens en bv. ook tonsillen en sinussen met de
L.A. Wij stelden vast dat littekens een sterke reactie konden
vertonen op GL 4.15, waarbij meestal slechts één
of twee punten van het litteken een duidelijke reactie vertoonden.
Het neuraaltherapeutisch behandelen van de maximale reactiezones
volstond veelal om het gewenste secundefenomeen te verkrijgen.
Controle van de gestoorde zones op afstand levert dan een optimalisering
binnen het tijdsbestek van enkele seconden. Eveneens kan men de
activiteit van tonsillen nameten. Wanneer zij een stoorveld vormen
vertonen zij meestal een sterke reactie op GL 4.15 en GL 3.7 (lymfe).
Wij zijn er ons van bewust dat een groot gedeelte
van wat wij in dit kort bestek besproken hebben teruggaat op de
ervaring van een beperkte groep mensen. Het dient dan ook zeker
verder wetenschappelijk onderzocht en onderbouwd te worden. Toch
mogen we de ervaring van een aantal personen (Kunnen, Driscart,
...) die zich over meerdere duizenden casussen uitstrekt niet
zomaar naast ons neerleggen. We zullen ze kritisch moeten evalueren,
trachten bepaalde elementen wetenschappelijk verder te onderbouwen
en ze vooral in het belang van onze patiënten dienen aan
te wenden.
Daarom wil ik besluiten met één
gevalsbespreking.
Mevrouw VB,M., geb.20.09.51 laat in 1997 haar
woning ontstoren, waar op dat ogenblik geen kankerdragende breuklijn
(4.3) wordt ontdekt. In mei 1999 voelt ze pijn in de borst. Echografie
vertoont een verstoring maar er is geen duidelijk beeld op de
mammografie.. Op 21/03/2000 wordt een tumorectomie uitgevoerd
wegens een klinisch palpabele nodulus ter hoogte van het onderste
buitenste kwadrant van de linker borst. Gezien het om een invasief
matig gedifferentieerd intraductaal carcinoom ging en de snijranden
niet tumorvrij waren wordt een mammectomie met okselcurettage
en simultane reconstructie uitgevoerd op 19/04/2004. Als adjuvante
behandeling werd Tamoxifen voorgeschreven. Er werd geen radio-
of chemotherapie doorgevoerd. Het postoperatief verloop was probleemloos.
Echografie van het abdomen geeft een iso-echogene nodule omgeven
door een hypo-echogene rand (? : 9mm), die als een hemangioom
wordt geïnterpreteerd.
In november 2001 gebeurt een botscan en een
long onderzoek, die beide negatief zijn. Een nieuwe echografie
van het abdomen wordt geweigerd. Een volledig check-up in januari
2001 is negatief.. Progressief treedt echter een stijging van
de CA 15.3 op.
Op 25/9/2002 wordt een hysteromia radicalis
totalis gedaan wegens expulsie van een spiraal en baarmoederbloedingen
op een myomateuze baarmoeder. Hier werden geen maligne afwijkingen
gevonden. Bij inspectie van de lever is thv de onderrand een metastase
zichtbaar (?: 1 cm). Bij verdere palpatie vind men ook in de linkerkwab
een paar noduli en in de rechter leverzone een conglomeraat van
verschillende nodulaire formaties. Histopathologisch onderzoek
van een biopsie liet besluiten tot metastase van het borstcarcinoom.
Arimedex (aromataseremmer) wordt voorgesteld, maar geweigerd.
Novaldex wordt verder genomen. Forteyam ( natuurlijke progesteron/oestrogeen
balans regulator) wordt bijgegeven.
Eind augustus 2002 wordt begonnen met een intensieve
ozonkuur en op 14/10/2002 wordt de ontstoring van de woning gecontroleerd.
Hierbij worden 2 (van de 3) Zuid-West-lijnen en 2 breuk-waterlijnen
– waarvan één kankerdragend - gevonden en
ontstoord en wordt de Westlijn gemanipuleerd teneinde de kunstmatige
elektromagnetische vectoren (GSM) te neutraliseren.
Patiënte voelt zich aanvankelijk goed herstellen,
maar de CA 15.3 blijft progressief toenemen. Ook het ‘Hypo-ionic-protein-profil’
wordt minder goed. In de zomer 2003 treedt er een dramatische
achteruitgang op. Patiënte moet voortdurende braken. Glucosebaxters
worden toegediend, zonder resultaat. Patiënte wil nog wachten
met toedienen van corticoieden.. Ze wordt progressief cachectisch
(van 65 naar 40 kg voor 1.78 m). De lever is enorm vergroot (4cm
onder ribbenboog).
Eind juli 2003 bezoek ik patiënte thuis
en zeg bij het vertrek tegen de echtgenoot dat ik afscheid genomen
heb. Ik vermoed niet dat patiënte na mijn verlof nog in leven
zal zijn. De echtgenoot – die zelf de seminaries van Archibo-Biologica
(W. Kunnen) gevolgd heeft, wil zich hier niet bij neerleggen.
De woning is terug in orde gebracht , waarbij de Westlijn wordt
gemanipuleerd. Na drie weken is deze terug slecht en wordt opnieuw
gecorrigeerd. Echtgenoot meet dagelijks op patiënte. Hij
vindt een belasting tgv. van parasieten. Na het toedienen van
een antiparasitair middel (Parafactors – Country Life) en
ontgiften van de lever o.a. met groene klei (Argilets), een aangepast
dieet en verschillende voedingssuplementen, en voortdurende controle
van de geopatische vectoren die wisselen tgv. het moerassige gebied
waarop de woning staat treedt vanaf oktober 2003 een lichte verbetering
op. Patiënte begint terug te eten. De tumormarkers (CA 15.3)
– die een maximum van 1382 hadden bereikt beginnen progressief
terug te dalen. Patiënte neemt toe in gewicht (nu 60 kg).
Tijdens het schrijven van dit artikel trad bij
patiënte terug een verhoging van de leverwaarden en van de
CA 15.3 op. Opnieuw is er een verstoring van de geopatische invloeden
opgetreden : Er is een Zuid-West-lijn doorgekomen die in zeer
sterke mate 3.7 (lymfe), 4.3 (kanker) en 3.35 (gynaecologie) draagt.
Een verslechtering van de primair gynaecologische tumor dient
ons dus nbiet te verwonderen. .
Toch heb ik er aangehouden deze casus te brengen,
alhoewel we er tientallen andere hadden kunnen voorstellen waar
de ontstoring over lange perioden goed bleef. Deze casus heeft
echter enkele voordelen:
1. Hij illustreert dat het in orde brengen van de exogene geopatische
invloeden – ook bij klaarblijkelijk praeterminale toestanden
tot een omkering van het ziekte verloop kan leiden.
2. Dat de ontstoring/optimalisering van de woning steeds dient
te gebeuren binnen het kader van een totaalbehandeling van de
patiënt
3. Dat zij niet als een verworven en blijvende toestand mag beschouwd
worden, maar steeds opnieuw dient gecontroleerd worden.
4. Dat het wenselijk is dat de behandelende arts zelf een elementaire
kennis en kunde heeft van geopathie, zodat hij de ontstoring/optimalisering
kan nameten op de stoorsporen en zonodig de geobioloog kan vragen
ter plaatse een controle te doen.
|