|
Het aperitiefconcert op de trappen van ons Gents
Blandijn-auditorium, waarbij een aantal SKEPP-leden de voorkeur gaven aan
een flesje homeopathische verdunning boven een frisse pinot-charente of een
glaasje sekt werd door weldenkend Vlaanderen nogal skepp-tisch onthaald:
wat had dit nog met wetenschap te maken! Na zijn VTM-debat met
Liga-homeopatica-voorzitter Dr. Michel Van Wassenhoven (in wiens
tussenkomsten overigens duchtig werd geschrapt) werd het een tijdje stil
rond SKEPP-goeroe Prof. Dr. Wim BETZ. Vandaag is hij terug van weg geweest.
Bijna dagelijks komen we zijn interventies tegen: niet alleen in de
medische pers, eveneens in uiteenlopende kranten en weekbladen. De inhoud
van de boodschap is steeds dezelfde : alternatieve artsen zijn
onwetenschappelijk, leugenaars, bedriegers, kortom misdadigers.
De grondredenering die achter al de aanvallen van Prof.
Betz zit berust op een tweetal silogismen.
1. Hij vertrekt van de premisse dat de natuurgeneeswijzen fout zitten en
niet bewezen zijn. Dus – concludeert hij –mogen ze niet erkend,
noch minder terugbetaald worden. En in één beweging voegt hij er aan toe :
wanneer er iets misloopt dan is dit misdadig.
2. De traditionele academische geneeskunde is juist en bewezen. Zij moet
dus vergoed worden en wanneer er een nevenwerking of een ongeval optreedt
is dit verschoonbaar, want het gevolg van een lege artis uitgevoerde
behandeling.
Laten we dit even kritisch bekijken. Wanneer Betz stelt
dat de natuurgeneeswijzen fout zijn, verschiet hij zijn kruit hoofdzakelijk
op de homeopathie. Ik ben bereid hem te volgen wanneer hij stelt dat er tot
op heden geen dubbelblind onderzoeken zijn die de .effectiviteit van de
homeopathie onweerlegbaar bewijzen. Maar hierbij dient onmiddellijk de
vraag gesteld of het dubbelblind onderzoek de enige mogelijkheid is om de
homeopathie te evalueren. Wanneer Betz dit beweert ligt de bewijslast
hiervoor bij hem. De diepgaande discussie hierover laten wij aan de
verantwoordelijken van de beroepsverenigingen van klassieke homeopaten.
Maar natuurgeneeswijzen zijn meer dan enkel homeopathie. Wij zullen verder
aangeven dat voor de effectiviteit van heel wat natuurgeneeswijzen wel
doorslaggevende argumenten bestaan. Als de eerste premisse niet juist is,
zijn natuurlijk ook de conclusies niet juist.
Nu zijn heel wat auteurs het er over eens dat ook in de
klassieke geneeskunde talrijke zaken niet dubbelblind bewezen zijn en
gewoon op empirie berusten. Tot een kwarteeuw geleden kon niemand verklaren
waarom een aspirine werkte! Maar ook vandaag zijn er heel wat onzekerheden.
Dertig jaar gelden doceerde Prof. Piet Desomer ons dat antibiotica geen
werking hebben bij virale aandoeningen. Vandaag stellen we verschillen in
het voorschrijfgedrag tussen België en Nederland vast, die totaal niet te
verklaren zijn door het verschil in morbiditeit. Tweemaal meer antibiotica
in België dan in Nederland! Het Ministerie van Volksgezondheid vindt de
situatie zo erg dat het campagnes tegen het overdreven antibioticagebruik
organiseert, overigens zonder denderend resultaat. Dit betekent een
verspilling van middelen – die veel groter is dan het half procentje
van het gezondheidsbudget dat naar de alternatieve geneeskunde gaat –
en bovendien een toename van de iatrogene opnames. Wetenschappelijk
verantwoord?
Wanneer alles zo duidelijk is in de klassieke
geneeskunde, waarom moeten er dan zeer geleerde commissies gevormd worden
om vast te leggen wat ‘evidence based medicine’ is. Zo evident
lijkt het niet! Terloops: bepaalde universiteitsprofessoren, zoals Prof.
Dr. med. Karin KRAFT van de universiteit van Rostock wijzen er op dat het
ziekteverloop bij chronische aandoeningen sterk individueel bepaald is. Het
is medebepaald door genetische factoren , door psychosociale
omstandigheden. Bovendien vertonen oudere patiënten veelal een
polipathologie. De evidence based medicine dient hier als een leidraad
gezien, die door de ervaring van de individuele arts dient gefilterd te
worden. KRAFT besluit dat een schematisch toepassen van de EBM-richtlijnen
de behandelingskwaliteit van chronisch zieken reduceert, oa. omdat vele
natuur- en ervaringsgerichte behandelingen niet in de richtlijnen vermeld
zijn. (Der chronisch kranke Patient – Gewinner oder Opfer der Leitlinienmedizin
– Med.Woche Baden-Baden, 2003, Referatenband p.73)
Aansluitend kunnen we de vraag stellen of het
ervaringsgoed van vele eeuwen en van uiteenlopende culturen zomaar over
boord moet gegooid worden, omdat het tot op heden nog niet voldoende wetenschappelijk
onderbouwd is, m.a.w. omdat er geen dubbelblindstudies over bestaan. De
Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) is in elk geval een andere mening
toegedaan. Vanuit de bekommernis om geneeskunde voor iedereen toegankelijk
en betaalbaar te maken – ook in de derde wereld - startte zij
grootscheepse onderzoeksprojecten in verschillende landen om na te gaan wat
in het eigen medisch erfgoed waardevol is. Longitudinale studies en analyse
van uitgebreide casuïstiek spelen hier een belangrijke rol.
Ook voor de evaluatie van een aantal westerse
alternatieve disciplines is de dubbelblindstudie niet alleen zaligmakend.
Afgezien van de hoge kosten, die enkel kunnen verantwoord worden door een
latere patentverwerving , zijn sommige geïndividualiseerde behandelingsconcepten
er eenvoudig niet toegankelijk voor. Nochtans zijn er heel wat publicaties
die wijzen op een effectieve werking van complementaire geneeswijzen. Wij
vermelden er slechts enkele, zoadat de geïnteresseerde lezer verder op zoek
kan gaan .
In het boek ‘Komplementäre Methodenlehre der
klinischen Forschung’ van Helmut KLIENE (Springerverlag,2001) wordt
de ‘basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van de geneeskunde over
de EBM heen als ‘Cogniton-based-medicine. Het boek presenteert wat in
de grote blinde vlek van de conventionele methodeleer valt en daarom niet
schijnt te bestaan: de methoden van het niet-statistisch bewijs van de
therapeutische werkzaamheid aan de individuele patiënt en het daarbij
horende systeem van klinisch onderzoek’ (vert).’
Het basisbioregulatiesysteem of Matrix vormt de
wetenschappelijke onderbouw van verschillende complementaire
behandelingsmethoden. Het wordt exhaustief behandeld in A. PISSCHINGER, H.
HEINE . Das System der Grundregulation. Grundlagen für eine ganzheitsbiologische
Theorie der Medizin. Het wordt verder uitgewerkt in H. HEINE: Lehrbuch der
biologische Medezin, Grundlagen und Systematik (Hippokrates,1991).
Algemene handboeken, die ook op de wetenschappelijke benadering ingaan en
voorzien zijn van talrijke referenties zijn K.C. SCHIMMEL (Hrgs) : Lehrbuch
der Naturheilverfahren (2 Bdn, Hippokrates) en K. JORK (Hrsg) :
Alternativen in der Medizin; Behandlungsformen zwischen Wissenschaft und
Empirie. (Hyppokrates, 1993).
We zullen hier geen verdere informatie geven over de vier disciplines die
in België een zekere vorm van erkenning genieten: homeopathie, acupunctuur,
osteopathie en chiropraxie. Zij beschikken over belangrijke
beroepsverenigingen, die hiertoe beter in staat zijn. Wel willen we –
ten titel van voorbeeld - enkele bedenkingen weiden aan orthomoleculaire
geneeskunde en fythotherapie, aan neuraaltherapie en ozontherapie.
Orthomoleculaire geneeskunde en fytotherapie nemen een bijzondere plaats in
. Ze gaan enerzijds van hetzelfde paradigma uit als de klassieke
geneeskunde. Anderzijds vinden we aan alle Belgische universiteiten wel
hoogleraars , die zich met bepaalde deelgebieden ervan bezighouden.
Bovendien bestaat sinds 1988 het Vlaams Instituut voor Orthomoleculaire
Geneeskunde (V.I.O.W.) dat naast een postgraduaatopleiding van vier jaar ,
talrijke congressen en publicaties verzorgt. Verschillende hoogleraren zijn
eraan verbonden als wetenschappelijk medewerker en docent.
Bande-Knops, Renaer en Dillemans vonden het nodig reeds in 1985 in Wegwijs gezondheid
(Davidfonds) te fulmineren tegen de neuraaltherapie. Denigrerend spreken
zij over de “Infiltreerders”. Deze behandelingswijze, die ook
‘Therapeutische lokaalanesthesie’ wordt genoemd , wordt in de
Duitssprekende gebieden door minstens één op vier huisartsen toegepast. Ook
talrijke specialisten (o.a; orthopedisten, gynaecologen, internisten,
neurologen …) passen ze toe. Aan verschillende Duitse, Oostenrijkse
en Zwitserse universiteiten worden cursussen in de Neuraaltherapie
gedoceerd. Het discussiepunt met de klassieke geneeskunde is het al dan
niet bestaan van het stoorveld en het zg. secondefenomeen. Het stoorveld is
een subklinische chronische ontsteking, die het grondsysteem (matrix)
belast en destabiliseert, waardoor storingen op afstand (locus minoris
resitentiae) ontstaan. Deze kunnen uitgeschakeld worden door het inspuiten
van procaïne in het stoorveld, waardoor quasi onmiddellijk
(secondefenomeen) een herstel van de storing op afstand ontstaat. De
universiteitsprofessoren (Wien en Graz) H. TILSCHER en M. EDER schrijven in
hun boek ‘Infiltrationstherapie: Therapeutische Lokal
Anästhesie;Grundlagen, Indikationen, Techniken’ (Stuttgart,1991)
‘Alhoewel zeldzaam, is het bestaan van secondefenomenen onloochenbaar
, ze kunnen via objectieve parameters aangetoond worden. Placebo- en
suggestie spelen hierbij geen belangrijke rol’ (p.17, vert.)
Uiteraard vindt ook de Ozontherapie geen genade in de ogen van SKEPP. Hier
stuit men echter op een zeer sterke tegenstander: Prof. Dr. Velio BOCCI.
Prof. Bocci is gespecialiseerd in pneumologie en haematologie en is
hoogleraar in de algemene fysiologie aan de universiteit van Sienna. Na
onderzoek over interferon hield hij zich sinds 1991 diepgaand bezig met de
wetenchappelijke studie van ozon- en ozontherapie (CV: www.unisi.it/ricerca/dip/
fisiologia/personale/docenti/bocci.htm ). Hij publiceerde (2002) bij de
toonaangevende uitgeverij Kluwer “Oxygen-ozone-therapy; A critical
evaluation.” Er wordt oa. ingegaan op de stimulering van het
antioxydantensysteem en op de immunoproteïnes die uit de bloedcellen worden
vrijgezet onder invloed van ozon, zoals interferon, interleukines en
tumor-necrosis-factor. Hij
concludeert : ‘Authoritative scientists and clinicians should abandon
their prejudice and consider the profound difference between the endogenous
oxidative stress and the new concept of ozone therapeutic
‘shock’. If this will happen, we could soon have a simple and
inexpensive tool to restore health in millions of patients.’
We zouden zo nog even kunnen verder gaan. Ik meen echter voldoende
aangetoond te hebben dat men de zg. ‘alternatieve’ geneeskunde
zeker niet over één noemer mag scheren en dat het feit dat Prof. Betz
vanachter zijn bureau geen dubbelblindstudies vindt over een bepaalde
discipline, nog niet betekent dat deze geen positieve bijdrage aan de
geneeskunde kan leveren.
Op één zaak willen we echter nog ingaan, omdat het hier om een ethisch
probleem gaat. Steeds opnieuw wordt vanuit de hoek van Skepp met scherp
geschoten naar iedere natuurarts die ook maar een vinger uitsteekt naar een
kankerpatiënt. Er wordt geschermd met enkele tragische mislukkingen zoals
de Nederlandse actrice Syvia Millecam. Nadat bij haar een borstknobbel
ontdekt werd consulteerde zij – naast natuurgenezers - zowel
klassieke als alternatieve artsen. Geen van deze artsen konden haar
overtuigen (ook) een klassieke oncologische behandeling te volgen. Zij
verkoos zich hoofdzakelijk door paranormale genezers te laten begeleiden.
Na twee jaar stierf zijn aan een uitgebreide tumor.
In Vlaanderen haalt Vicky Versavel en haar goeroe de voorpagina’s.
Het feit dat zij drie jaar na haar operatie voor een kwaadaardig gezwel
terug in Familie te zien is, zegt niets over de behandeling die ze van haar
natuurarts kreeg. Wellicht was de tumor volledig operabel. Maar was de
chemotherapie dan noodzakelijk?
Komen we terug naar de casus Millecam. Deze gaf
aanleiding tot een diepgaand onderzoek van de geneeskundige inspectie in
Nederland. Als conclusie hieruit formuleert W. Betz zelf : “De
Inspectie heeft geen bezwaar tegen alternatief als additionele
behandelingswijze, maar wil dat het stellen van een medische diagnose
voorbehouden blijft aan artsen. Toezicht op het alternatieve veld, met een
registratieplicht voor iedereen die aan gezondheidszorg doet, is noodzakelijk,
stelt ze. Verder moet er gecontroleerd worden op gevaarlijke praktijken en
mag niemand een behandeling stellen zonder voorafgaande reguliere diagnose.
De zorgverlener moet verplicht worden om mee te werken aan de voor de
patiënt best mogelijke behandeling en tot openheid van informatie ten
opzichte van andere zorgverleners..”(www.skep.be)
Zoals Betz terecht zegt in het Dagblad Trouw is Nederland
een paradijs voor kwakzalvers. Door de Nederlandse BIG-wet kan elke
haarkapper zich morgen als therapeut vestigen! Analoge situaties zijn in
België zeldzaam, zoniet onbestaande. De wet op de uitoefening van de
geneeskunde is er veel sluitender, in de zin als voorgesteld door de
Nederlandse geneeskundige inspectie.
Er zijn weinig therapeuten (niet-artsen) die zich in
België zullen inlaten met de begeleiding van kankerpatiënten. Daarentegen
zijn er heel wat artsen die vinden dat de oncologische patiënt –
naast zijn klassieke therapie – een immuunstimulerende complementaire
behandeling nodig heeft. De argumenten die door collega Betz tegenover de
‘kwaks’ in stelling gebracht worden snijden dan ook geen hout
voor deze artsen.
Vooreerst wordt de ‘alternatieve kankerarts’
meestal slechts geconsulteerd door kankerpatiënten in een gevorderd
stadium. De diagnose is duidelijk gesteld, de staging is gebeurd. Meestal
heeft reeds een heelkundige ingreep plaats gegrepen en in vele gevallen ook
een chemo-of radiotherapie. De behandeling van de alternatieve arts is
ondersteunend. Meestal gebeurt dit in goed overleg met de oncoloog. Het
risico tot laattijdige behandeling is dus te verwaarlozen..
Wanneer een zeldzame patiënt zich in een vroegtijdig
stadium aanbiedt met een diagnose van kanker zal de alternatieve arts hem
quasi-steeds kunnen overtuigen zich chirurgisch te laten behandelen. Nadien
zal zo mogelijk een consciëntieus overleg gebeuren met de oncoloog over de
verder te volgen stappen. Mijn vijfentwintigjarige ervaring leert mij dat
dit – met respect voor de uiteindelijke beslissing van de patiënt
– meestal tot een positieve samenwerking leidt.
Wij willen hier niet uitgebreid ingaan op de bewering dat
de complementaire kankertherapie geen enkel nut zou hebben en als zodanig
een oplichten van de patiënt betekent. Deze berust op een gebrek aan
informatie, zoniet op kwaadwilligheid. Er zijn talrijke referenties te
vinden – ook op Medline – die het positieve effect van
complementaire behandelingen aantonen. De geïnteresseerde lezer en vooral
de oncoloog die in open dialoog met zijn ‘alternatieve’ collega
wil treden verwijs ik naar het recente boek van Prof. Dr. Joseph BEUTH
(Hrsg) ’Grundlagen der Komplementär-onkologie/Theorie und Praxis.
(Hippokrates-Verlag, Stuttgart, 2002). De eindredacteur Prof. Dr. med
Joseph Beuth is hoogleraar aan het “Institut zur Wissenschaflichen Evaluation
naturheilkundiger Verfahren “ van de Universiteit Keulen.
Verschillende andere professoren in de Tumorimmunologie en de Biometrie
werkten mee aan het boek. Naast een basisconcept voor alle kankerpatiënten
(waaronder anti-oxydantia) bespreekt hij een aantal indicatiegerichte
therapieën die voldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. Hierbij komen
niet alleen voeding, sport en psychische begeleiding, maar bv. ook
vitaminen, sporenelementen, enzymen, thymuspreparaten, viscum, hyperthermie
en therapie met dendritische cellen aan bod. Ook Prof. BOCCI geeft in zijn
hoger vermeld werk heel wat aanwijzingen dat ozontherapie ook bij
kankerpatiënten een belangrijke ondersteuning kan betekenen. Hij besluit : ‘I know that
some Western countries … have powerful medical resources and in a
couple of years could examine the tree main possibilities of oxygen-ozone
therapy: infections, vascular diseases and cancer. … IF COMMERCIAL
INTERESTS AND PREJUDICE WILL NOT PREVENT THIS RESEARCH …’
Wat Betz ook moge beweren, hier ligt de kern van de zaak.
Wetenschappelijk onderzoek wordt vandaag hoofdzakelijk gefinancierd door de
farmaceutische industrie. Deze kan geen onderzoek blijven financieren
– en dit begrijp ik maar al te goed – zonder dat er een
terugflow is onder de vorm van gepatenteerde medicamenten. Om een voorbeeld
van Bocci aan te halen: men kan zelfs moeilijk een onderzoek financieren
waar ozon naast klassieke medicatie wordt gebruikt omdat geen enkele
variantieanalyse kan uitmaken wel gedeelte van het resultaat toe te
schrijven is aan de klassieke medicatie en welk deel aan de ozontherapie.
Onderzoek naar complementaire behandelingsmethoden kan enkel gefinancierd
worden met belastingsgeld.
Wanneer zal er in België geld gevonden worden voor een
“Instituut voor de wetenschappelijke evaluatie van de
natuurgeneeskundige methoden”? Wanneer zal er een leerstoel ontstaan
als deze van Prof. Beuth in Keulen? Deze leerstoel moet - tenminste
gedeeltelijk - bezet worden door iemand die jarenlang ervaring heeft op het
veld van de complementaire geneeskunde. De kleine investering die dit
vraagt zal honderdvoudig terugvloeien naar de staatskas, al was het maar
door het preventief effect dat ervan zou uitgaan. Daarom ben ik ervan
overtuigd dat er minstens bij een gedeelte van de politieke
verantwoordelijken in dit land hiertoe een bereidheid bestaat.
Ik ben er mij van bewust dat dit niet op één jaar kan
gerealiseerd worden Er moet een kritische dialoog ontstaan over de
aanvaardbaarheid van de complementaire geneeskunde. Dit is iets anders dan
het SKEPP-tisch afwijzen ervan. Daarom zal voluntariaat en het werk van
talrijke artsenverenigingen nog lang een belangrijke rol spelen bij de
bevordering van dialoog en openheid.
Op Europees vlak zijn een groot aantal van deze
artsenverenigingen gegroepeerd in de ECMP (zie kader). Op Belgisch vlak zal
de Belgische Academie voor Integrerende Geneeswijzen (AIG) overgaan tot het
oprichten van een informatie- en dialoogforum onder de vorm van een
Web-site : www.a-i-g.be.
Dat Prof. Betz en de kern van SKEPP op dit aanbod tot
dialoog zouden ingaan zou een mirakel heten. Gelukkig zijn er nog talrijke
andere professoren – ook in de huisartsgeneeskunde – in ons
land, die zich niet als prominente leden van SKEPP willen manifesteren. Zij
zijn wellicht wel tot dialoog bereid. Hen – en alle andere Belgische
artsen - nodig ik in naam van de 55.000 EU-artsen die achter de Europese
Federatie van Artsenverenigingen voor het Therapeutisch Pluralisme’
(ECPM) staan uit tot een constructieve dialoog.
dr. Mark
Bottu, co-president ECPM
|